Hoe digitaal vaardig zijn we eigenlijk?

door Marco Derksen op 15 juli 2014

Enkele maanden geleden publiceerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) nieuwe cijfers over de internetvaardigheid van burgers waaruit bleek dat Nederland tot de drie ‘internetvaardigste’ landen van Europa behoort. Nederlanders van 16 tot 75 jaar zijn tussen 2010 en 2013 weer vaardiger geworden in het gebruik van internet aldus het persbericht. Met name 65-plussers hebben op het gebied van internet een inhaalslag gemaakt. Van de Nederlanders van 16 tot 75 jaar beschikte 13 procent in 2013 over veel internetvaardigheden, bij 44 procent is er sprake van een gemiddelde vaardigheid en bij 36 procent van weinig vaardigheid. Het CBS onderzocht zes basisvaardigheden van internetgebruik.

Foto: Marco Derksen

Maar volgens experts groeit de kloof tussen mensen die het internet slim gebruiken en diegenen die ‘maar wat doen’. Alexander van Deursen, Universitair Docent bij de vakgroep Media, Communicatie en Organisatie (CMO), Universiteit Twente is één van die experts. Samen met Prof Jan van Dijk heeft Van Deursen gewerkt aan een model om deze digitale kloof systematisch in kaart te brengen.

Met de term digital divide of digitale kloof werd lang het verschil bedoeld tussen de groep mensen die resp. wel en geen toegang had tot ICT. Inmiddels weten we door o.a. het werk van Jan van Dijk dat het niet alleen gaat om bezit, maar ook om aspecten als motivatie, toegang, digitale vaardigheden en gebruik. Vanuit wetenschappelijk onderzoek hebben Van Deursen en Van Dijk de huidige situatie in Nederland in kaart gebracht (op basis van cijfers uit november 2013) welke binnenkort zal verschijnen in het boek Digital skills, unlocking the information society. Enkele bevindingen publiceerde Van Deursen dit voorjaar in het tijdschrift inGovernment:

Motivatie
Nederlanders hebben een positief beeld van internet. Maar liefst 97 procent van de bevolking is gemotiveerd om dit medium te gebruiken. Men ervaart het als makkelijk in gebruik en als een bijdrage aan de ‘levensstandaard’. Eigenlijk zijn de enige uitzonderingen hierop een kleine groep uit de lagere sociale klasse en een grotere groep senioren, waarbij er nog steeds sprake is van ‘computerangst’. Ondanks dat de meeste senioren in een omgeving leven die gebruik van internet faciliteert, weigeren sommigen nog steeds de stap te zetten. We moeten er echter voor oppassen om senioren te beschouwen als een homogene groep met onderling vergelijkbare redenen voor het niet gebruiken van internet.

Materiële toegang
Na gemotiveerd-zijn is de materiële, fysieke toegang tot internet een voorwaarde. In 2013 was 97 procent van de Nederlandse burgers aangesloten, waarmee Nederland een koppositie in de wereld bezet. De enige groepen die het verzadigingspunt nog niet bereiken zijn 65-plussers en mensen met een laag opleidingsniveau of inkomen. Deze groepen zijn echter aan een inhaalslag bezig. Bij voorkeur wordt internet nog steeds thuis gebruikt, maar het gebruik onderweg en elders, in andere huishoudens (vrienden, familie), blijft echter toenemen. Opvallend is dat sinds 2012 het gebruik op werk en school wat af lijkt te nemen. Daar wordt het internetgebruik namelijk beperkt tot wat noodzakelijk is voor werk en studie. Werknemers en scholieren/studenten weten dat zij nu (met smartphones, laptops en tablets) alle privé-toepassingen makkelijk thuis en onderweg kunnen gebruiken. In het verleden bedienden zij zich meer van de vaste voorzieningen op het werk en op school.

Het gebruik van de traditionele desktop-computer is op zijn retour (64 procent). De laptop (74 procent), tablet (45 procent) en smartphone (53 procent) nemen verder aan populariteit toe. Het gebruik van tablets en smartphones biedt voor diverse applicaties voordelen en vormen een geschikte aanvulling op internet via een groter scherm. Voor zwaardere inhoudelijke zoektochten zijn zij echter nog geen volwaardige vervanging. Mannen internetten op elk apparaat meer dan vrouwen doen. Jongeren internetten via mobiele apparatuur veel meer dan ouderen, die relatief veel gebruik maken van desktop of laptop om te internetten. Hogeropgeleiden gebruiken alle apparaten significant meer dan lageropgeleiden, behalve internet via de televisie of spelcomputer. Zij hebben ook meer apparaten in bezit. Werkzame personen en studenten gebruiken alle apparaten meer dan werklozen doen.

Vaardigheden
De derde soort internettoegang vormen de benodigde vaardigheden. Vaardigheden hebben in Europees beleid steeds vaker de focus; ze worden beschouwd als de sleutel tot de informatiesamenleving. In de afgelopen vier jaar zijn vooral de basale internetvaardigheden toegenomen, met name bij 55-plussers; recente cijfers van het CBS beamen dit. Echter, wat we niet mogen vergeten is dat er bij de (belangrijkere) inhoudelijke vaardigheden nog erg veel ruimte voor verbetering is. Het definiëren van zoekwoorden en het kritisch evalueren van informatie blijft een probleem voor de meeste gebruikers. Hetzelfde geldt voor het creëren van een passend profiel op sociale media, of het kritisch evalueren wat er met wie wordt gedeeld. Ondanks dat mannen zichzelf als vaardiger beschouwen dan vrouwen, zien we dit nooit in daadwerkelijke prestatiemetingen terug. De Nederlandse internetgebruiker kan in drie categorieën worden ingedeeld. Er is een groep onafhankelijke, veelal hoogopgeleide mensen die zichzelf goed kunnen redden. Dan is er een kleine groep die zich vaak richt op formele hulpbronnen bij het gebruik van internet, bijvoorbeeld het volgen van een cursus. Dit zijn vooral senioren. De laatste groep bestaat uit informele hulpvragers die zich richten op familie of vrienden. Hier geldt wel dat de verkregen hulp vaak niet toereikend is, of slechts een kortetermijnoplossing biedt. Recente prestatiemetingen op basis- en middelbare scholen bevestigen dat er ook in het onderwijs nog een grote slag gemaakt kan worden wat betreft het verbeteren van inhoudelijke vaardigheden bij leerlingen. Het is in ieder geval belangrijk dat we ons realiseren dat een tekort aan internetvaardigheid geen tijdelijk probleem is dat automatisch wordt opgelost door veel en lang internetgebruik. Ook binnen organisaties missen veel werkenden de benodigde vaardigheden en is er ruimte voor een efficiëntieslag.

Gebruik
Het laatste aspect is het gebruik van internet. Internet wordt intensief gebruikt door de Nederlandse burger en dit gaat hand in hand met de toegenomen populariteit van veel toepassingen. Bijna alle internetters gebruiken zoekdiensten als Google, e-mailen (beide 99 procent), regelen hun bankzaken online (96 procent) en shoppen online (96 procent). Ook de populariteit van sociale netwerksites is verder toegenomen: hierop is inmiddels 77 procent van de internetgebruikers actief. Dit gebruik veroorzaakt wel een lichte daling bij toepassingen waarvan de functionaliteit wordt overgenomen: deelnemen aan community’s, online-fora of discussiegroepen. Sinds 2012 maken lageropgeleiden in hun vrije tijd iets meer gebruik van internet dan hogeropgeleiden. Wel bestaat dit gebruik relatief vaak uit chatten en vermaakstoepassingen die veel tijd vergen. Dergelijke verschillen in gebruik hebben belangrijke implicaties.

Toenemende digitale ongelijkheid
Wanneer we de cijfers van 2010 tot en met 2013 aangaande de verschillende soorten gebruik naast elkaar leggen, zien we een zorgwekkende trend, namelijk dat ook op internet sociale ongelijkheid aan het toenemen is. We zien dat de groep in de hogere sociale klasse zich relatief meer is gaan richten op toepassingen die hun positie in de maatschappij kunnen verbeteren (bijvoorbeeld het volgen van een online-cursus of het zoeken naar een betere baan). Deze beweging staat haaks op het vaak genoemde ‘open karakter’ van het internet, dat iedereen vooruit zou helpen. Met het volwassener worden van internet zien we dat traditionele offline-voorkeuren zich verplaatsen naar het internet, inclusief de bestaande vormen van ongelijkheid. Dit betekent niet alleen dat niet iedereen in dezelfde mate profiteert van internet, maar ook dat de elitaire groep uit de hogere sociale klasse, die altijd voorop heeft gelopen, steeds meer profiteert in vergelijking met de groep die altijd heeft achtergelopen. De relatieve verschillen worden groter. Over de hele linie zien we echter dat er binnen uiteenlopende domeinen positieve effecten met internetgebruik worden behaald. Zo is 30 procent van de Nederlanders via internet erachter gekomen op welke partij hij of zij wilde stemmen en heeft 38 procent online een petitie of handtekeningenactie ondertekend. Dankzij internet is 62 procent beter op de hoogte van overheidsinformatie en 32 procent heeft via deze weg een subsidie, uitkering of belastingverlaging ontdekt. Maar let wel, deze effecten verschillen dus enorm per groep.

En de overheid?
Het is niet voor niets dat de overheid aandacht heeft voor deze toenemende digitale ongelijkheid. Zo lezen we in het jaarverslag van de Ombudsman dat ‘er een kloof ontstaat tussen Nederlandse burgers die wel en niet goed zijn met computers’. Minister Jet Bussemaker (OCW) benadrukte dit ook in haar lezing ‘vaardigheden voor de toekomst‘ tijdens het symposium van de KNAW dit voorjaar. En ook op Europees niveau is er veel aandacht voor dit onderwerp. Aan de hand van de speciaal ontwikkelde Digital Agenda Scoreboard zien we dat Nederland inderdaad tot de top van Europa behoort, maar dat er zeker ook nog voldoende uitdagingen liggen!

Verder lezen:

Foto: Marco Derksen

9 reacties

Beantwoord

Ik was dit weekend onderzoek aan het doen naar de leesvaardigheid van Nederland voor een blog. Als je die cijfers ziet, dan is er in de basis al een kloof in het niveau van aanbieden van informatie en de mate waarin de lezer snapt wat er staat. Begin eens met het helder en eenvoudig aanbieden van die informatie, zonder al te moeilijke termen en jargon. En kijk dan eens of de internetvaardigheid stijgt. De moeite die men ervaart, zit in de moeite die het kost om te begrijpen wat er staat. De moeite om tot het voltooien van een taak te komen.

Beantwoord

Beantwoord

Beantwoord

Profielfoto
adgerrits op schreef:

Interessante cijfers. Dat de hogere sociale klasse andere mogelijkheden van internet benut dan de lagere sociale klasse is niet uniek voor internet. De VPRO-abonnee die documentaires bekijkt steekt ook wat anders op dan iemand die van sport en shows op de commerciële zenders houdt. Dat kun je zorgelijk vinden en proberen te beïnvloeden, maar uiteindelijk kiezen mensen toch vooral zelf waar ze hun tijd aan willen besteden.

Beantwoord

@Ad: eens, maar deze digitale kloof gaat de komende jaren leiden tot een toenemende ongelijkheid in de maatschappij. De vraag is of je dat wilt laten gaan als overheid of dat je daar invloed op uit wil oefenen.

Beantwoord

Interessant! Een ander ongewenst effect is discriminatie. De city of Boston heeft onlangs vanwege dit feit een app uit de roulatie gehaald waarbij dmv crowdsourcing gaten in het wegdek gerapporteerd konden worden met als doel de dienstverlening te verbeteren. Echter, na overweging kwam men erachter dat deze service direct effect zou hebben op de sturing van de gemeente inspanningen richting gegoede buurten die de weg naar de app zouden vinden in tegenstelling tot mensen uit verpauperde buurten. Betere wijken zouden daardoor nog beter worden en achtergestelde wijken nog beroerder. Dit geeft stof tot nadenken over de verschillende melding apps die Nederlandse gemeentes nu al aanbieden…

Beantwoord

Beantwoord

Binnenkort maar eens een update schrijven over de digitale vaardigheden van Nederlanders. Recentelijk bleek uit onderzoek van Salesforce dat 1 op de 3 Nederlanders zegt niet over de juiste digitale vaardigheden te beschikken voor de toekomst:
https://www.emerce.nl/wire/salesforceonderzoek-wijst-uit-1-3-nederlanders-zegt-juiste-digitale-vaardigheden-beschikken-toekomst

Enkele opmerkelijke bevindingen uit het onderzoek:

  • Ruim 81 procent van de Nederlanders legt de verantwoordelijkheid voor opleidingen en bijscholing bij zijn werkgever. Negenendertig procent is van mening dat de overheid hierin een leidende rol moet spelen. Een kleine veertig procent steekt echter de hand in eigen boezem en vindt dat mensen zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen kennisniveau. Tot slot acht 34 procent zowel zichzelf verantwoordelijk als hun werkgever.
  • In vergelijking met België, valt het op dat Belgen minder inzet verwachten van zijn werkgever (66 procent). Tevens ligt het aandeel Belgen dat zowel werkgever als werknemer verantwoordelijk acht lager (13 procent).
  • Bijna 70 procent van de Nederlanders is echter positief over de mogelijkheden die werkgevers vandaag al bieden. Over de bijscholingsinitiatieven van opleidingsinstituten zoals universiteiten is ruim 72 procent positief en een ruime meerderheid (51 procent) geeft aan de bijdrage die IT-bedrijven, zoals Salesforce leveren, zeer waardevol te vinden. Veertig procent van de werkende Nederlanders verwacht meer van de overheid om burgers klaar te stomen voor het werk van morgen.
  • Bijna 17 procent vreest dat de vierde industriële revolutie ervoor gaat zorgen dat hun huidige baan over tien jaar niet meer bestaat. Belgen schatten de situatie minder rooskleurig in: 27 procent verwacht dat zijn of haar job binnen een decennium verdwenen is.
  • Ruim 46 procent van de Nederlanders is ervan overtuigd dat mens en machine over twintig jaar zij aan zij zullen werken.

Zie ook:
https://www.salesforce.com/nl/blog/2018/04/investeer-in-kennis-en-skills-van-medewerking.html

Beantwoord

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Laatste blogs

Bekijk alle blogs (624)
Contact