Afgelopen week schreef ik mijn eerste blog over mens blijven in tijden van versnelling. Ik stelde daarin dat we leven in een tijd waarin alles sneller, efficiënter en doelgerichter lijkt te moeten. Technologie neemt steeds meer taken van ons over: van administratie en communicatie tot zelfs het nemen van beslissingen. In zo’n wereld is het verleidelijk om onszelf te meten aan technologische standaarden: productief, rationeel, beschikbaar. Tegelijkertijd groeit bij veel mensen het gevoel van onrust. Want als alles draait om optimalisatie, blijft de vraag liggen of we nog wel het goede doen.
Die vraag raakt aan iets fundamenteels. Niet alleen aan wat we doen, maar aan wie we zijn en waarom dat ertoe doet. In deze blog ga ik nader in op de vraag waarom aandacht voor het mens-zijn in tijden van versnelling zo belangrijk is.
De mens is zeker niet de enige soort met intelligentie, gevoel of sociaal gedrag. Toch lijkt het erop – voor zover we nu weten – dat de mens een specifiek vermogen heeft ontwikkeld om na te denken over het grotere geheel, over zijn eigen rol daarin, en over de gevolgen van zijn daden op langere termijn. Dat is geen bewijs van superioriteit, maar het legt wél een verantwoordelijkheid in onze handen.
Hannah Arendt wees erop dat juist het vermogen tot denken en oordelen de mens tot een politiek en moreel wezen maakt. Niet de arbeid of de productie, maar het handelen met anderen in de wereld vormt volgens haar de kern van het mens-zijn. Als we die capaciteit verliezen in een wereld van efficiëntie en systemen, raken we ook onze menselijke waardigheid kwijt.
Onze rol ligt dus niet in het beheersen van de wereld, maar in het bewonen ervan zoals Martin Heidegger het noemt. Voor hem is de mens geen bouwer of bezitter van de wereld, maar iemand die leert vertoeven in het open veld van zijn bestaan: een bewoner die luistert, niet alleen bepaalt.
Vanuit die rol volgt een belangrijke opdracht: keuzes maken die het goede doen voor het grotere geheel. Dat vraagt om reflectie, om moreel besef, en om het vermogen niet alleen te handelen vanuit nut en snelheid, maar ook vanuit zorg, samenhang en betekenis. Met het grotere geheel bedoel ik niet alleen de samenleving, maar ook het bredere ecosysteem waarvan de mens deel uitmaakt: de natuur, de aarde, de onderlinge afhankelijkheid van al wat leeft.
Om die rol goed te vervullen, moeten we ook zorg dragen voor onszelf en onze naaste medemens. Simone Weil stelde dat aandacht de zuiverste vorm van generositeit is: door werkelijk aanwezig te zijn bij onszelf en bij anderen, openen we ruimte voor verantwoordelijkheid. Een uitgeputte of vervreemde mens kan die ruimte niet bieden en verliest zo ook zijn vermogen tot ethisch handelen.
In die zin zijn er drie gebieden waarop we als mens aandacht nodig hebben: onszelf, onze naasten en het geheel waarvan we deel uitmaken. Die ordening is niet hiërarchisch, maar relationeel: wie goed voor zichzelf zorgt, kan ook beter zorgen voor anderen en het bredere geheel. Wie alleen het systeem voedt, raakt die samenhang kwijt.
In veel inheemse tradities (zoals bij de Maori of de Inuit), is die verbondenheid met het geheel vanzelfsprekend. De mens is daar geen aparte soort, maar een schakel in een levend netwerk van aarde, dieren, voorouders en toekomstige generaties. In hun wereldbeeld leeft ook wat dood is nog voort, en heeft ook wat klein is betekenis. Zulke perspectieven sluiten aan bij het denken van filosofen als Bruno Latour en Donna Haraway, die pleiten voor een ander soort mens-zijn: niet als heerser, maar als betrokkene. Als medereiziger in een complexe, onderling verbonden wereld.
In onze tijd van digitale versnelling is het des te belangrijker om die bredere rol van de mens opnieuw te begrijpen. Aandacht voor het mens-zijn helpt ons herinneren dat we meer zijn dan functies of data. We zijn wezens die kunnen zorgen, kunnen twijfelen, kunnen luisteren. Voor onszelf, voor elkaar en voor alles wat ons overstijgt.
Als we dat serieus nemen, wordt de vraag niet: hoe blijven we bij in tijden van versnelling? Maar: hoe blijven we mens in tijden van versnelling? En hoe kunnen we bijdragen aan een wereld die leefbaar blijft voor al wat leeft, nu en later?
Dat is geen eenvoudige opdracht, maar het is wel de moeite waard.
Bronnen
- Arendt, H. (1958). The human condition. Chicago: University of Chicago Press.
- Haraway, D. (2016). Staying with the trouble: Making kin in the Chthulucene. Durham: Duke University Press.
- Heidegger, M. (1971). Building dwelling thinking (A. Hofstadter, vert.). In Poetry, language, thought (pp. 141–160). New York: Harper & Row. (Oorspr. werk gepubliceerd in 1951)
- Latour, B. (2018). Down to Earth: Politics in the new climatic regime. Cambridge: Polity Press.
- Weil, S. (1952). Waiting for God (E. Craufurd, vert.). London: Routledge.
- Derksen, M. (2025, 27 juni). Mens blijven in tijden van versnelling: De kunst van nietsdoen. Koneksa Mondo.
4 reacties
Mooi Marco. Helemaal eens met de waarneming(en).
Dank voor je (snelle) reactie Arthur. Ik ben op het moment een paar maanden in Noorwegen aan het wandelen, lezen en schrijven. Probeer mij iedere dag een vraag te stellen waarover ik ga nadenken en waar ik voor mijzelf een antwoord op probeer te geven. Of althans, een richting aan probeer te geven hoe ik er op dit moment zelf naar kijk.
Ik bewonder jouw gedisciplineerde manier van vragen stellen, jezelf verwonderen en jezelf onderwijzen. De vraag hoe we mens blijven in tijden van versnelling houdt mij ook bezig, zij het minder structureel dan jou op dit moment. Mooi dat je de ontwikkeling van je gedachten en ideeën zo trouw vastlegt in je blogs. Ik probeer ze te volgen en met je mee te denken!
Dank voor je reactie en leuk dat je het volgt. Ben inmiddels een stap verder, heb afgelopen week het boek Leven in tijden van verandering van Hartmut Rosa nog een keer teruggelezen en een eerste versie van de blog geschreven over wat we dan kunnen doen om mens te blijven. Zal die blog vandaag ook online zetten. Feedback meer dan welkom!