Blog:

De Berlijnse Sleutel en andere lessen van een liefhebber van wetenschap en techniek

door Marco Derksen op 21 november 2015

Afgelopen week zijn we voor het derde jaar gestart met de post-academische leergang Digitaal Leiderschap van AOG School of Management. Een leergang waarbij de deelnemers kennis en vaardigheden leren om een visie te vormen op de digitale ontwikkelingen en deze weten te vertalen naar een strategie voor hun eigen organisatie. De eerste modulen van de leergang zijn voor de deelnemers vaak verwarrend. Het gaat dan over onderwerpen als netwerktheorie, filosofie of macro economie. Onderwerpen die ogenschijnlijk weinig te maken hebben met digitalisering. Pas na enkele modulen vallen de puzzelstukjes in elkaar en wordt het duidelijk dat deze onderwerpen juist van cruciaal belang zijn voor goed digitaal leiderschap.

De Berlijnse Sleutel
Neem als voorbeeld filosofie. Afgelopen week was Hans Harbers één van de docenten tijdens de eerste module van de leergang. Harbers is socioloog en filosoof en maakt in zijn college veel gebruik van het werk van de Franse techniekfilosoof Bruno Latour.

Door gedetailleerd te bestuderen hoe technische voorwerpen functioneren in het dagelijks leven laat Bruno Latour in zijn werk zien hoe mens en techniek met elkaar verweven zijn. Zo gaat het boek Aramis ou l’amour des techniques (1992) over een mislukte innovatie voor openbaar vervoer met kleine koppelbare treinstellen zonder bestuurder. In het boek gaat Latour op zoek naar de moordenaar van Aramis: Qui a tué Aramis? Als een detective wordt de ene na de andere mogelijke schuldige bestudeerd. Uiteindelijk komt Latour tot de conclusie dat er niet een eenduidige schuldige is aan te wijzen. Het is het gehele netwerk van mensen en dingen dat heeft geleid tot de uiteindelijke dood van Aramis.

Het boek Aramis ou l’Amour des techniques is helaas niet in het Nederlands verschenen. Het verhaal is wel opgenomen in La clef de Berlin et autres leçons d’un amateur de sciences dat in 1997 in het Nederland is uitgebracht als De Berlijnse sleutel en andere lessen van een liefhebber van wetenschap en techniek (zie recensie Hans Agterhuis in Trouw). In deze bundeling van artikelen behandelt Latour de sociologie van alledaagse zaken als verkeersdrempels en deurdrangers, en minder alledaagse, zoals de Berlijnse sleutel. In alle stukken gebruikt de schrijver steeds originele en interessante manieren om zijn ideeën over te brengen. Zo gebruikt hij de stripfiguur Guust Flater als voorbeeld van een technisch vernieuwer in diens strijd met de weerbarstige omgeving. Volgens Harbers is De Berlijnse Sleutel een aanrader als je geinteresseerd bent in het werk van Bruno Latour.

Nu alleen zelf nog kijken of ik het boek ergens op de kop kan tikken! 😉

7 reacties

Beantwoord

Herkenbaar hoe ‘techniek’ weliswaar een steeds grotere rol speelt, maar tegelijkertijd steeds minder bepalend wordt voor het eindresultaat. Bij een studie als industrieel ontwerp die mijn zoon doet, zie je allerlei aspecten samenkomen en komen de echte uitdagingen steeds meer op een andere vlak te liggen dan ‘de harde techniek’. In een strategisch informatieplan waar ik nu aan werk zit dan ook bewust een hoofdstuk met de werktitel “De menselijke factor”. Speel al langer met de gedachte je daar eens een gezonde externe blik op te werpen, dus wie weet…

Beantwoord

Overigens heb ik al heel wat jaren terug de stelling van Ray Kurzweil geaccepteerd dat we volop bezig zijn cyborgs te worden. Waarbij de relatie tussen techniek en ethiek zoals Latour die ziet uiteraard een hele spannende is en zeker een plek in een leergang over digitaal leiderschap verdient.

Beantwoord

Beantwoord

Beantwoord

Hotelsleutels, verkeersdrempels, veiligheidsgordels, katteluikjes, deurdrangers – elke dag weer hebben we te maken met dingen die we niet als louter technische objecten kunnen beschouwen, omdat hun bestaan ingrijpt in het onze en het drastisch wijzigt. Aan de hand van een aantal essays laat Bruno Latour op toegankelijke wijze zien dat dingen door en door politiek zijn, geladen met een moraliteit die het handelen van mensen op tal van manieren bepaalt.

In het verlengde van het boek van Latour had NRC dit weekend een interessant artikel met als titel de vraag “Wordt de vrije wil een illusie?“:

Is het karakter van de mens als wezen met een vrije wil houdbaar, nu een technologische revolutie bezig is de grenzen en regels van ons bestaan ingrijpend te veranderen? En wat moeten politici daarmee doen? Geen politicus zal weliswaar ons einde als soort wensen, laat staan nastreven. Maar biedt dat voldoende garantie om meester te blijven over ons bestaan? De meeste partijen gaan in naam nog altijd uit van een mensbeeld dat terugvoert op de Verlichting: de autonome, zich ontplooiende mens. Maar in de praktijk gaan de meeste politieke debatten niet over mensen, maar over beleid, en de vraag of dat efficiënt, modern, duurzaam, gemakkelijk, waterdicht, fraudebestendig en kostenefficiënt is. De onberekenbare mens is in het politieke debat juist eerder een stoorzender dan een bestemming: hij wordt begeerd als kiezer, maar is ook een gevaar dat in toom gehouden moet worden (fraudeurs, criminelen, radicaliserende jongeren, schoolverlaters). En als we niet crimineel zijn of kunnen worden, moeten we wel door slimme sturing (nudging) tot goed gedrag worden bewogen: een gezonde leefstijl, verstandig financieel plannen, energiezuinig leven en nuttig bijdragen aan de economie. Technologie houdt een belofte in om die doelen beter, sneller, efficiënter te bereiken, gedrag te voorspellen en te sturen. Banken, verzekeraars, gemeenten, energiebedrijven zijn ons aan het ‘dataficeren’. En wij werken mee: het is nieuw, makkelijk, fascinerend, en misschien sparen we er kosten en energie mee, en reistijd, en onze gezondheid. Wat vermag en moet de politiek in dat nieuwe krachtenveld?

De vraag is overigens of we ooit een vrije wil hebben gehad, volgens Victor Lamme, hoogleraar cognitieve neurowetenschappen, bestaat de vrije wil niet:

Beantwoord

Afgelopen week was Hans Harbers weer één van de gastdocenten in de eerste module van alweer de zevende editie van de leergang. Naast de inmiddelss bekende uiteenzetting van mens en techniek, een vergelijking met twee onbekenden waarin Harbers de deelnemers meeneemt in de dualiteit die we vaak zien (pessimisme vs optimisme, technofoben vs technofielen, bioconservatieven vs transhumanisten, maar ook mensen vs dingen, waarden vs feiten, politiek vs wetenschap, etc), in dit college ook weer nieuwe invalshoeken.

Eerst nog even een korte samenvatting van wat Harbers probeert in zijn inleiding duidelijk te maken. Volgens Harbers zien we te vaak discussies waarin de uitersten tegenover elkaar worden gezet terwijl het in de praktijk genuanceerder ligt. Mensen zijn afhankelijk van dingen – niet de onafhankelijke maat van alle dingen. Dingen (technologieën) zijn afhankelijk van mensen. Dingen zijn niet inactief, neutraal, louter instrumenteel – nee, ze doen iets (met ‘ons’, mensen). Oftewel, er is een continue interactie tussen beiden met soms onverwachte effecten.

Harbers komt daarbij op de Actor-netwerktheorie (Actor-Network Theory), vaak afgekort als ANT, een benadering binnen de sociale wetenschappen die sociale fenomenen analyseert als (sociale) netwerken waarin de klassieke tegenstelling tussen actieve personen en passieve objecten in twijfel wordt getrokken. Eén van de bekendste stellingen is dat ook niet-menselijke elementen een vorm van agency (handelingspotentieel) kunnen bezitten binnen een netwerk. Daarom wordt ook de term ‘actant’ gebruikt als meer neutrale verzamelterm voor al deze actoren. Opnieuw, mensen en dingen interacteren met elkaar en dat heeft weer een nieuwe situatie tot gevolg. Er is geen bron van handelen. Het laat elkaar dingen doen. ‘To make do’ of ‘faire faire’. Er is dan ook geen verantwoordelijke (vooraf niet toe te kennen, alleen achteraf). De mens is niet de maat van alle dingen, noch omgekeerd. Ter illustratie laat Harbers vaak de strip van Guust Flater zien waarin Guust, Pruimpit, de kat, de meeuw en de deur allemaal actoren zijn die met elkaar interacteren. Wel aardig is dat Guust in deze cartoon de ‘digitale leider’ is die de verbinding legt tussen de actoren.

Het is vooraf niet te bepalen wat succes is. Wat succes is weet je pas achteraf. Innovatie is dan ook geen lineair proces. Er zijn geen definitieve criteria voor succes, want niets staat vast. Alles verandert tijdens het innovatieproces. Er is noodzaak van permanente adaptie (to adopt is to adapt) van alles en iedereen aan alles en iedereen. Er is geen masterplan, geen masterauteur, maar een steeds wijzigend hybride netwerk. Het meest succesvol zal het systeem zijn dat het meest connected is!

Beantwoord

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Laatste blogs

Bekijk alle blogs (679)
Contact