Moeten we bang zijn voor de toekomst van werk?

De huidige technologische ontwikkelingen hebben tot gevolg dat de komende twintig jaar 30 tot 50 procent van de banen in de middenklasse zullen verdwijnen door automatisering en robotisering. Althans dat is de conclusie van het inmiddels veel geciteerde onderzoek naar de toekomst van werkgelegenheid (pdf) van Frey en Osborne, beiden van de universiteit van Oxford (via: Economist). Ook in Nederland heeft dit onderzoek veel aandacht gekregen van o.a. minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Sindsdien lijkt vooral de angst te heersen voor de gevolgen van automatisering en robotisering op de toekomst van werk. Afgelopen week nog publiceerde Kathleen Elkins van Business Insider het artikel The robots are here — and you should be worried. Daarin citeert Elkins niet alleen het recent verschenen boek Rise of the Robots: Technology and the Threat of a Jobless Future van Martin Ford, maar verwijst ze ook naar de open brief over de digitale economie opgesteld door techautoriteiten als Erik Brynjolfsson, Andy McAfee, Marc Benioff, David Kirkpatrick en Tim O’Reilly. Ook de strekking van het VINT symposium vandaag met als titel ‘Computer Says No: Living in the Age of Autonomous Decision Machines’, is dat er vooral banen zullen verdwijnen door de opkomst van automatisering en robotisering.

Zijn de waarschuwingen terecht of valt het allemaal wel mee met de gevolgen van automatisering en robotisering? Deze week vond ik per toeval een openbaar lunchcollege van CAOP van afgelopen jaar met als titel ‘De toekomst van werken en hoe de wereld van het werk verandert’ (zie video). Daarin een heel ander geluid van o.a. Maarten Goos, hoogleraar aan de Faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen van KU Leuven. Hieronder enkele higlights uit de samenvatting (pdf) van het college dat werd ingeleid door Paul van der Heijden, hoogleraar Internationaal Arbeidsrecht aan de Universiteit Leiden en voorzitter Bestuur Leerstoelen CAOP.

Van der Heijden schetst om te beginnen de ontwikkelingen van arbeid in de afgelopen eeuw. Honderdtwintig jaar geleden vond de industriële revolutie plaats waardoor de agrarische sector, waar destijds 95% van de bevolking werkte, totaal werd omgegooid. Tegenwoordig werkt nog slechts 2% van de bevolking in de agrarische sector en zijn de meeste banen te vinden in de dienstensector. Op dit moment vindt de technologische revolutie plaats en die heeft net zoveel impact als de industriële revolutie destijds. De wetenschap probeert inzichtelijk te maken wat er precies gebeurt en wat dit betekent voor de instituties en de systemen die de maatschappij i.c. het publiek domein hebben ontwikkeld.

Maarten Goos begint met de verwijzing naar het eerder genoemde Oxford-onderzoek waarin wordt beweerd dat tegen 2035 50% van onze huidige banen zijn geautomatiseerd. Deze technologische vrees is niet nieuw, deze was er ook tijdens de industriële revolutie. De totale tewerkstelling is over de afgelopen jaren alleen maar toegenomen, juist dankzij industriële en technologische vooruitgang. Daarmee acht Goos deze vrees ongegrond.

Er is een drietal ontwikkelingen van invloed op de technologische revolutie:

  1. De polarisatie van de banenstructuur
    In de afgelopen jaren is de totale tewerkstelling dankzij de recessie gedaald met 370.000 banen. Als je de tewerkstellingsevolutie opsplitst in drie categorieën, (1) hoog betaalde banen, (2) de middel betaalde banen en (3)laag betaalde banen, dan zie je banen voornamelijk verloren gaan in de middel betaalde banen. Dit zijn bijvoorbeeld kantoorbedienden en handarbeiders in de industrie. De gemiddeld betaalde banen verdwijnen en de hoog- en laag betaalde banen blijven stabiel. Men noemt dit hollowing out, het verdwijnen van de middelklasse in onze economie. Dit werd versterkt door de recessie, maar is al gaande sinds de jaren 1980. In termen van welvaart is dit een grote uitdaging voor onze samenleving. Het risico om in een armoedespiraal terecht te komen is groter en de mobiliteit tussen hoge en lage klasse neemt af.
  2. Toenemende ongelijkheid
    Polarisatie van de banenstructuur is een van de factoren die invloed heeft op de inkomensongelijkheid. Uit de Gini-coëfficiënt voor Nederland blijkt dat de inkomensongelijkheid is toegenomen. In de eerste helft van de 20e eeuw is tegelijkertijd sprake van sterke economische groei en het dalen van de inkomensongelijkheid. Blijkbaar kunnen we deze twee tegenwoordig niet meer combineren.
  3. Economische stagnatie
    Economische stagnatie is het idee dat op ook lange termijn onze economie eruit zal blijven zien als in een recessie. Een van de drijfveren waarom we op lange termijn moeten denken aan een groei van 0,5% in plaats van 2% of 3% komt ook door demografische veranderingen. De afname in de bevolkingsgroei is ingezet vanaf 1970 en komt vooral door een daling in de fertiliteit van de samenleving. Dit is een belangrijke uitdaging voor de macro-economie. Aggregatieve vraag en een daling in innovaties.

Wat betekent dit nu voor een overheid?

  • Flexibele arbeidsmarkt met inkomenszekerheid. De banenstructuur verandert constant en mensen moeten voortdurend veranderen van beroep als gevolg van technologische vooruitgang. Polarisatie vraagt flexibiliteit op de arbeidsmarkt en flexibiliteit van werknemers.
  • Aanbod van gevraagde competenties door scholing en opleiding kunnen invloed uitoefenen op het voorkomen van ongelijkheid.
  • Stagnatie door (markt)werking vraagt naar een rol voor de overheid.
    Economische stagnatie betekent dat er ergens iets niet optimaal functioneert in onze economie. Deels door de marktwerking van onze economie maar ook andere aspecten van de economie. Dat vraagt om een actieve rol van de overheid bijvoorbeeld in het behouden van de publieke tewerkstelling.

Goos is een mindfull optimist. Hij denkt dat technologie en globalisering een betere arbeidsmarkt mogelijk maken maar dat dit niet vanzelf gaat. Er ligt een belangrijke rol voor de overheid. De bottle neck voor economische groei en banengroei is niet technologie. Er is voldoende technologie en het proces van technologische innovatie versnelt zelfs nog. De bottle necks zullen eerder zitten aan de institutionele zijde van onze economie zoals bijvoorbeeld een belangrijke rol van de overheid. De overheid bepaalt bijvoorbeeld hoe de arbeidsmarkt zich ontwikkelt.

Als je de tewerkstellingsevolutie van de afgelopen recessie vergelijkt met de tewerkstellingsevolutie uit de grote depressie dan zie je dat de grote depressie initieel een grotere negatieve impact had op de tewerkstelling. Maar het herstel uit de afgelopen crisis gaat langzamer en daarom is er snel actie nodig zodat de negatieve impact van de afgelopen crisis niet groter wordt.

Moet er nog eens goed over nadenken of ik net als Goos een mindfull optimist ben of toch vooral de waarschuwing van de techautoriteiten zal omarmen. Wellicht dat het congres Toekomst van werk a.s. donderdag mij meer inzicht gaat geven!

3 reacties op “Moeten we bang zijn voor de toekomst van werk?

  1. Mooie samenvatting van alle denkbeelden die er de ronde doen. Volgens mij vergeten we feitelijk allemaal 1 hoofdoorzaak, naast de technologische ontwikkelingen: organisaties en daarmee hun medewerkers worden feitelijk overbodig. Er is een sluipende trend gaande dat we immers als groepen van verbonden mensen toegang hebben tot dezelfde resources als menige organisatie als het gaat om economische waarde creatie. We kunnen daarbij van elkaar krijgen wat we willen hebben zonder de noodzaak van een formele organisatie, waarbij ‘wederkerigheid’ wordt ingezet als valuta. Die vormt de smeerolie daarbij (als het sociale kapitaal), iets dat halsstarrig in alle traditionele economische modellen geen enkele plek krijgt. Organisaties zijn daarmee als waardecreatie structuur te duur en schieten door Coase Ceiling heen, zodat men razendsnel uit lijfsbehoud de technologische innovatie omarmt teneinde goedkoper (met minder mensen) te kunnen werken. Dat is wel een andere ontwikkeling dan die mechanisatie van de landbouw, waardoor er ruimte ontstond voor andere banen binnen organisaties. Als er dan al nieuwe banen (noem dat liever rollen, klussen, taken of werkzaamheden) zouden ontstaan, wordt dat niet automatisch omgezet in klassieke banen, simpelweg omdat de organisatie structuren zoals we die nu kennen er gewoon weg niet meer (of in veel mindere mate) zijn.

    Dat ondermijnd ons hele sociale stelsel.

    Je kunt dan 2 dingen doen: je verzetten en iedereen in de oude vakjes blijven persen of heftig gaan experimenteren met de deeleconomie, netwerk waarde creatie, life time learning en andere enge nieuwe dingen, teneinde daarmee feitelijk de onvermijdelijke innovatie te omarmen. Dat gaat niet vanzelf: met vallen en opstaan zullen we opnieuw moeten leren lopen. Daar veranderen Kraats, Asscher, Rutte of Heerts helemaal niets aan. Ook hun rol raakt uitgespeeld, waarbij de halsstarrigheid te denken dat zij dit proces gecontroleerd kunnen laten ontstaan pas de echte maatschappelijke schade op menselijk niveau aanricht.

    • @Ronald mooie aanvulling, dank! Zoals je weet ben ik wat minder skeptisch over bestaande organisaties en geloof ik wel dat ze een bestaansrecht hebben, mits ze werken aan jouw tweede keuzerichting, i.e. organisaties zullen zich opnieuw moeten uitvinden door na te denken over hun rol in de nieuwe netwerksamenleving en zullen daarbij de nieuwe spelregels moeten leren. De cruciale vraag is of er voldoende (nieuwe) banen blijven bestaan om iedereen aan het werk te houden. dat denk ik niet en dat betekent dat we idd ook moeten nadenken over een heel ander sosiaal systeem. Welke politicus of welke partij is daar al voldoende mee bezig volgens jou?

Geef een reactie