De rijksoverheid moet zich vernieuwen en versnellen. Anders lukt het haar niet om de maatschappelijke impact van technologische ontwikkelingen te begeleiden, te sturen en te reguleren. Daarvoor waarschuwde Bernard ter Haar, DG Sociale Zekerheid en Integratie van het ministerie van SZW, bij het in ontvangst nemen van het eerste exemplaar van het boek ‘STAD 2019: technische en sociale innovatie’. Tijdens het hieraan gekoppelde congres, op 4 juni bij het CAOP, werd onder meer duidelijk hoe groot die impact is en welke mogelijkheden de overheid zoal heeft om mens en techniek met elkaar te verbinden. Een verslag van de conferentie is te vinden op de website van CAOP.
Het gehele STAD-congres is terug te kijken via:
Programma:
- Agenderen in tijden van revolutie: Hoe de publieke sector technologische ontwikkelingen dreigt te vergeten (Paul Strijp, Provincie Noord-Holland
- Waarde van technologische innovatie (Zeger van der Wal)
- Nieuwe structuur om technologische ontwikkelingen te voorzien (Bernard ter Haar, Directeur-generaal sociale zekerheid en integratie op het Nederlandse ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid)
- Belang van digitaal leiderschap (Paul Strijp)
- Praktijkcase: verkleining tot arbeidsmarkt door inzet technologie bij Senzer (Bruno Fermin, SBCM, het A+O-fonds voor de sociale werkgelegenheid
- Praktijkcase: Digitale identiteit en de controle die mensen in de schuldhulpverlening (Jeroen van Megchelen, Ledger Leopard)
- Praktijkcase: Techniek Impact Model (Wouter van der Torre, TNO)
Met name de stelling van Bernard ter Haar en de daarop volgende discussie sprak mij aan. Ter Haar maakt zich zorgen dat de overheid onvoldoende beseft wat er allemaal gebeurt en welke verantwoordelijkheid ze daarbij heeft. ‘De huidige rijksdienst, met de indeling in departementen, is volledig gericht op de grote maatschappelijke vraagstukken uit de eerste helft van de vorige eeuw. Maar die silo’s van toen passen niet meer op de specifieke vraagstukken van nu, zoals klimaat, duurzaamheid, de nieuwe arbeidsmarkt.’ Dat leidt ertoe dat onderwerpen, zoals mens en techniek, tussen wal en schip vallen. ‘Bij digitalisering was de grote vraag: wie gaat daar eigenlijk over? In het vorige kabinet was er niet één bewindspersoon, nu zijn er tenminste twee of drie die zich een beetje verantwoordelijk voelen. Maar die moeten samenwerken, dat kost veel tijd en die is er niet.’ Om de boel in goede banen te leiden, zegt de DG, is regelgeving nodig en ook dat kost tijd. ‘Wat je nu nodig hebt, had je een jaar geleden al moeten ontwikkelen. We zien het te laat. Als regelgeving rond is, zijn de ontwikkelingen alweer veel verder. We moeten beter beseffen wat er gebeurt, in welk tempo en welke rol we daarin moeten kiezen. Daar is een nieuwe structuur voor nodig.’