Blog:

Leren van technisch innoveren bij de politie

door Marco Derksen op 28 mei 2019

‘Is de politie in staat behalve praktisch en intuïtief, gelijktijdig ook academisch en vernieuwend te zijn’ vroeg Piet van Reenen zich eerder dit jaar af in ‘Innoveren bij de behoudende politie, als dat maar goed gaat‘, een opiniestuk in het NRC. Daarin zet hij praktische tegenover theoretische intelligentie. De oude meer praktisch georiënteerde medewerkers tegenover de nieuwe hogeropgeleiden. Lukt het de politie om deze nieuwe groep aan zich te binden en geaccepteerd te krijgen? En is het vervolgens in staat om de politie te transformeren naar het digitale tijdperk? Van Reenen ziet het somber in en verwijst daarbij oa naar ‘De gekooide recherche‘ (pdf), het boek van oud-reserchedeskundige Michiel Princen.

Om eerlijk te zijn heb ik als buitenstaander geen idee of de politie in staat is om de noodzakelijke vernieuwingen door te voeren. Wel zie ik onder invloed van de hoger opgeleide medewerkers een enorme beweging binnen de politie. Het is de vraag of deze ook in staat is tot succesvolle innovaties. Het recente onderzoeksrapport ‘Leren van technisch innoveren‘ (pdf) geeft daarop deels antwoord.

Wereldwijd experimenteren politieorganisaties met nieuwe technologieën, zoals geavanceerde elektronische apparaten, computers en software, om hun taken uit te voeren of om in te spelen op nieuwe vormen van criminaliteit. Ook de politie in Nederland experimenteert met uiteenlopende vormen van innovatieve technologie, variërend van mobiele forensische analyses, automatische gezichtsherkenning, kunstmatige intelligentie, cameratoezicht, sociale media, big data analyse tot de inzet van drones.

Uit eerder onderzoek blijkt dat verschillende factoren, zowel sociale, organisatorische als technologische, van belang zijn voor een effectiever gebruik en inzet van technologie door politie. Het is echter niet duidelijk welke factoren en op welke wijze deze factoren technologisch innoveren binnen de politie in Nederland bevorderen of belemmeren. Daarom richt dit onderzoek zich op de onderzoeksvraag: Welke factoren bevorderen of belemmeren technologisch innoveren binnen de politie in Nederland? De studie beoogt hiermee empirische kennis op te leveren over de processen waarmee technologie tot ontwikkeling komt binnen de politie in Nederland en daarmee aanbevelingen te formuleren voor lopende en toekomstige innovatieve ontwikkelingen.

Om de onderzoeksvraag te beantwoorden is gedurende de periode januari 2017 tot februari 2018 een longitudinale (empirische) processtudie uitgevoerd naar 13 innovatieve technologische projecten binnen de Nederlandse politie. De selectie van de projecten is gebaseerd op diversiteit in vier criteria: het type technologie; de ontwikkelingsfase; betrokken organisatieonderdelen van de politie en de vormen van samenwerking en externe partners. De ontwikkeling van deze projecten is gevolgd door het afnemen van semigestructureerde interviews met betrokkenen in de projecten en door het uitvoeren van observaties en dossieronderzoek. De respondenten bekleedden verschillende rollen en functies in en rond de projecten, van opdrachtgever, projectleider, leidinggevende, gebruiker, ontwikkelaar of specialist, tot architect, medewerker van een faciliterende dienst of een externe partner.

De verzamelde data is vervolgens middels een inductieve analyse verwerkt om zicht te krijgen op factoren die bevorderend of belemmerend werken. Het gehanteerde analysekader heeft binnen een zestal centrale thema’s verschillende factoren in kaart gebracht die in de ontwikkeling van de 13 projecten een rol speelden. Om de belemmerende of bevorderende werking hiervan te duiden, zijn terugkerende procesgebeurtenissen geanalyseerd binnen deze factoren als ook onzekerheden.

De bevindingen uit het onderzoek laten zien dat innovatie een complex en geen lineair proces is. Binnen de zes geïdentificeerde thema’s van het innovatieproces (idee, betrokkenen, samenwerking, politieorganisatie, externe omgeving en uitkomsten) blijken 24 factoren van invloed te zijn op de ontwikkeling van de projecten in de politieorganisatie. Hiervan zijn acht factoren als overwegend bevorderend geïdentificeerd en negen factoren die vooral belemmerend werken voor technologisch innoveren binnen de politie. Zes factoren zijn zowel belemmerend als bevorderend in beeld gekomen, afhankelijk van de context binnen de projecten. De factor techniek blijkt geen bevorderende of belemmerende rol te spelen in de ontwikkeling van de projecten.
Belemmeringen zijn vooral gelegen in organisatorische factoren en ontstaan bijvoorbeeld doordat er onvoldoende facilitering van ondersteunende diensten is, besluitvorming niet transparant en tijdig is en de governance van projecten niet goed functioneert of niet ingericht is. Projecten ondervinden tevens een doorlopend gebrek aan capaciteit in aantal en kwaliteit van medewerkers. Ook ontbreekt het in de politieorganisatie aan een strategische visie op technologische innovatie.

De meer bevorderende factoren zijn te herleiden naar de zogenaamde sociale factoren in de politieorganisatie, zoals een vroegtijdige samenwerking tussen het projectteam, gebruikers, ICT-ontwikkelaars en medewerkers van ondersteunende diensten; een ontwikkelgerichte aanpak waarbij voortdurend wordt ingespeeld op de behoeftestelling uit de politiepraktijk; en het leren van experimenteren in de praktijk. Ook vormt een sterke motivatie of betrokkenheid van projectleden en leidinggevenden een sterk stimulerende factor.

Om de belemmerende en de bevorderende factoren die uit dit onderzoek naar voren komen beter te kunnen duiden en te verbinden aan innovatieprocessen in de politiepraktijk, is in een handelingsperspectief onderscheid gemaakt naar noodzakelijke en stimulerende factoren en zijn deze verbonden aan de verschillende managementlagen binnen de politieorganisatie. Voor het strategisch management zijn vijf noodzakelijke factoren benoemd waarvan het ontwikkelen van een strategische visie op technologie en innovatie en het formuleren van objectieve prioriteringscriteria twee belangrijke zijn. Voor het tactisch management bevinden de noodzakelijke factoren zich op het niveau van het organiseren van voldoende capaciteit en tijdige besluitvorming, het ondersteunen van een ingerichte governance en projectorganisatie en het vertalen van de implicaties van de veranderopgaven voor de praktijk. De stimulerende factoren voor het tactisch management liggen in hun rol om belanghebbenden te verbinden, het innemen van een leidende positie en het organiseren van flexibiliteit. Voor het projectmanagement is het krijgen van draagvlak voor het idee een noodzakelijke factor en stimulerende factoren zijn het hanteren van een ontwikkelgerichte aanpak en het onderhouden van verbinding met stakeholders en het netwerk. Een aan de externe omgeving verbonden noodzakelijke factor is het begeleiden van de benodigde wetgeving voor handhaving en bevoegdheden van technologische innovatietrajecten.

Voor de politieorganisatie breed worden tot slot twee, meer generiek van aard, noodzakelijke factoren onderscheiden. Allereerst is een (meer) innovatieve organisatie(cultuur) essentieel om innovatie tot een vast onderdeel van politiewerk te maken. Dit vraagt een open, flexibele en actieve houding ten opzichte van innovatie en technologie en in de samenwerking met interne en externe partijen. De tweede factor, verbonden aan een innovatieve organisatiecultuur, is het leren van innoveren. Door een meer lerende houding aan te nemen, kan de samenwerking in de politieorganisatie verbeteren en meer worden geleerd van technologische innovatie in samenwerking met externe partijen. Het borgen en beschikbaar maken van leermomenten en opgedane kennis vraagt daarbij aandacht.

Bron: ‘Leren van technisch innoveren‘ (pdf)

1 reactie

Beantwoord

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Laatste blogs

Bekijk alle blogs (635)
Contact