Begint organisatieverandering bij stoppen of afleren?

door Marco Derksen op 1 februari 2026

In beleid en organisaties ligt de nadruk bij verandering vaak op vernieuwing. Nieuwe programma’s worden gestart, extra middelen vrijgemaakt en aparte structuren ingericht om leren en innovatie te stimuleren. Wat daarbij opvallend vaak ontbreekt, is de vraag wat er moet stoppen of worden afgeleerd. Welke bestaande routines, structuren of investeringen maken plaats voor het nieuwe?

Geïnspireerd door een recente aflevering van de podcast De strategie van de kreeft, waarin Yousri Mandour spreekt met organisatieadviseur en docent Dafir Kramer, ben ik dieper gedoken in het fenomeen dat verandertrajecten meestal niet falen door te weinig innovatie, maar doordat organisaties onvoldoende stoppen met wat niet meer werkt.

Zwischen loslassen und dem, was kommt (Geinspireerd door Im Wald, Im Nebel van Erwin Olaf)

Het uitgangspunt van dit perspectief op organisatieverandering is dat gedrag zelden een individueel probleem is. Wat mensen in organisaties doen, wordt in sterke mate bepaald door het systeem waarin zij werken: routines, structuren, prikkels, meetinstrumenten en ongeschreven regels. Kramer vat dit samen met de observatie dat organisaties de invloed van individuele competenties overschatten en de kracht van het systeem onderschatten. Daardoor hebben trainingen en leiderschapsprogramma’s vaak slechts tijdelijk effect. Zodra mensen terugkeren in een context die oud gedrag blijft belonen, vallen zij terug in bekende patronen. Dit sluit aan bij klassiek onderzoek naar organisatieleren, waaruit blijkt dat leren zonder verandering van context zelden leidt tot duurzaam ander gedrag (Argyris & Schön, 1996; Hedberg, 1981).

Het stoppen of afleren zoals hier bedoeld, wordt in de literatuur omschreven als het intentioneel verminderen van de dominantie van verouderde routines, aannames en werkwijzen om ruimte te creëren voor nieuw gedrag. Het gaat daarbij niet om het wissen van kennis, maar om het doorbreken van vanzelfsprekendheden die ooit functioneel waren (Hedberg, 1981; Tsang & Zahra, 2008). Afleren is daarmee dus niet zozeer het wissen van bestaande kennis, maar het verminderen van de dominantie van routines en aannames, waarbij oud leren vaak blijft bestaan maar zijn richtinggevende kracht verliest. Kurt Lewin beschreef dit al als de noodzakelijke fase van ontdooien voordat verandering mogelijk wordt (Lewin, 1947). Edgar Schein liet zien dat vooral diepgewortelde culturele aannames eerst moeten worden losgelaten voordat nieuwe waarden daadwerkelijk kunnen landen (Schein, 1985). Afleren vormt zo een cruciale stap naar daadwerkelijk anders handelen.

Tegelijkertijd speelt afleren zich niet alleen af op het niveau van structuren en systemen, maar ook op het individuele ervarings- en betekenisniveau. Systemen sturen gedrag, maar worden in stand gehouden door het handelen, de overtuigingen en de emoties van mensen die erin werken. Individuen ontwikkelen in de loop van de tijd automatische manieren van kijken, voelen en reageren die passen bij het bestaande systeem en daarin vaak ook zijn beloond. Wanneer dat systeem verandert of ruimte creëert om te stoppen, vraagt dat van mensen het vermogen om eigen patronen te herkennen, verantwoordelijkheid te nemen voor het loslaten ervan en nieuw gedrag vol te houden. Zonder hier al te diep op in te gaan kun je denken aan persoonlijke ontwikkel- en reflectiebenaderingen zoals neuro-linguïstisch programmeren (NLP).

Empirisch onderzoek laat zien dat het collectief niet-afleren van bestaande routines innovatie en aanpassing belemmert, zelfs wanneer organisaties beschikken over voldoende kennis, middelen en urgentiebesef (Hedberg & Starbuck, 2017). Dit wordt zichtbaar in klassieke praktijkvoorbeelden. Denk aan het verval van Nokia, dat goed laat zien hoe een bedrijf intensief bleef innoveren maar moeite had om fundamentele aannames los te laten over zijn softwareplatform en besluitvormingslogica. Gedeelde emoties, met name angst bij zowel top- als middenmanagement, verstoorden de informatie-uitwisseling en hielden bestaande overtuigingen in stand. Het resultaat was verbeteren binnen een oud kader, terwijl de omgeving fundamenteel veranderde (Vuori & Huy, 2015). Een vergelijkbare dynamiek is zichtbaar bij bedrijven als Kodak en Blockbuster, waar wel werd vernieuwd maar niet tijdig werd gestopt met dominante businessmodellen en routines die hun eerdere succes hadden bepaald.

Opvallend is dat organisaties vernieuwing en leren vaak wél structureel organiseren, terwijl stoppen en afleren zelden een vergelijkbare plek krijgen. Veel organisaties beschikken over innovatieafdelingen, labs of expliciete rollen voor leren en experimenteren, maar nauwelijks over structuren of processen die systematisch onderzoeken wat kan worden beëindigd. Dat is geen toeval. Vernieuwing sluit aan bij dominante waarden als groei, vooruitgang en zichtbare activiteit, terwijl stoppen wordt geassocieerd met verlies, falen of politieke gevoeligheid. Wat nieuw is, levert vaak prestige, budget en carrièrekansen op; wat stopt, roept vragen op over eerdere keuzes en verantwoordelijkheden. Het gevolg is een structurele asymmetrie: organisaties blijven stapelen, terwijl niemand expliciet verantwoordelijk is voor opruimen.

Juist tegen deze achtergrond is het werk van Marije van den Berg relevant. In haar boek Stop. Stopstrategie voor organisaties (2020) laat zij zien dat stoppen een bewuste keuze is. Zij benadert stoppen als een ontwerpvraag: welke activiteiten, regels en routines voegen geen waarde meer toe en kunnen bewust worden beëindigd? Van den Berg introduceert instrumenten zoals stopcriteria, stopgesprekken en vaste stopmomenten, waarmee stoppen onderdeel wordt van regulier werk in plaats van een uitzonderlijke ingreep.

Een concreet voorbeeld van deze benadering is te vinden in de Nederlandse zorgsector. Het programma Ontregel de Zorg richt zich expliciet op het schrappen van administratieve routines die geen directe waarde toevoegen aan het primaire proces. In het Reinier de Graaf Gasthuis leidde het stoppen met overbodige registraties op een dialyseafdeling tot een tijdsbesparing van bijna vier weken fulltime werk per jaar, naast een toename van werkplezier onder zorgverleners. Het effect ontstond niet door nieuwe instructies of trainingen, maar door het bewust beëindigen van wat niet meer werkte.

Deze benaderingen raken ook aan wat Kees Tillema in zijn boek Ontgroeven noemt: het verlaten van ingesleten patronen en denksporen die ooit functioneel waren maar inmiddels vernieuwing belemmeren. Ontgroeven is een grondhouding waarin ruimte maken belangrijker is dan toevoegen en waarin stoppen wordt gezien als voorwaarde voor experiment en creativiteit (Tillema, 2021).

De belangrijkste conclusie is dat duurzame organisatieverandering vraagt om een verschuiving van niet alleen steeds iets nieuws toevoegen naar expliciet onderzoeken wat moet stoppen om nieuw gedrag mogelijk te maken. Het collectief afleren, stoppen, doorbreken van patronen of ontgroeven is daarbij randvoorwaardelijk voor organisaties om te kunnen vernieuwen.

Het is dan ook opmerkelijk dat organisatieadviseur Jaap van ’t Hek vraagtekens zet bij de expliciete stap om stoppen of afleren als onderdeel van de organisatieveranderaanpak te zien. Een stap die wat mij betreft begint met het zichtbaar maken van dominante routines, aannames en prikkels die het oude gedrag in stand houden. Vervolgens vraagt dit om duidelijke stopbesluiten, gekoppeld aan mandaat, governance en praktische hulpmiddelen zoals stopcriteria en vaste evaluatiemomenten. Tegelijk is aandacht voor de menselijke kant essentieel. Stoppen raakt aan identiteit, vakmanschap en zekerheid en vraagt daarom om erkenning en begeleiding. Door stoppen te normaliseren en te legitimeren wordt afleren geen persoonlijk falen maar professioneel handelen.

Veel organisaties en organisatieadviseurs zitten blijkbaar nog gevangen in een veranderlogica waarin leren centraal staat en stoppen of afleren impliciet wordt vermeden. Onderzoek en praktijk laten echter zien dat echte vooruitgang vaak begint bij het loslaten van wat ooit werkte maar inmiddels belemmert. Veranderen wordt daarmee geen eindeloze stapeling van initiatieven, maar een bewuste balans tussen leren, afleren en stoppen, gericht op duurzame beweging.

Bronnen

8 reacties

Profielfoto
Hermannus Stegeman op schreef:

Heel mooi stuk! Dank je wél.
Één kleine allergie bij mij: patronen doorbreek je niet. Die hebben nut, want anders bestaan ze niet. Daarom kun je ze niet doorbreken. Je moet ze dus vervangen door iets wat van meer waarde of nut is, zoals je ook mooi beschrijft.

Beantwoord

Dank voor het compliment.

Ik worstel nog wel even over je opmerking over ‘doorbreken van patronen’. Waarom zou je die niet kunnen doorbreken? Ben het overigens wel met je eens dat die ook van nut kunnen zijn. Sommige patronen moet je wat mij betreft dan ook doorbreken (omdat ze niet meer werken), andere patronen moet je behouden (omdat ze van nut zijn).

Beantwoord

Profielfoto
Gerard Kuijlaars op schreef:

Mooi betoog Marco! Omdat jij veel voor publieke organisaties werkt, zoals politie en gezondheidszorg, zou ik je graag willen aanvullen. Daarbij vertrek ik even vanuit de “strategic triangle” van Moore (1995), in het bijzonder de “authorizing environment”:

1) De “authorizing environment” is niet passief
Het is niet alleen dat de organisatie moet stoppen/afleren, maar de authorizing environment (politici, oversight authorities) moet actief toestemming geven en ruimte creëren voor dit afleren (Bryson et al., 2008; Moore, 1995). Dit maakt afleren fundamenteel een politiek proces.

2. Dus politieke/bestuurlijke moed is voorwaarde
Empirisch bewijs toont dat zonder politici en bestuurders die risico durven te nemen en te gaan staan voor ruimte om (radicaal) te innoveren, stagneert organisatieverandering (Palm & Lilja, 2017). Het management kan nog zo bereid zijn om af te leren, zonder politieke rugdekking gebeurt het niet.

3. Institutionele beperkingen maken het afleren structureel complexer
Publieke organisaties zijn ingebed in uniformerende druk (“isomorphic pressures”) (DiMaggio & Powell, 1983) en institutionele beperkingen zoals comptabiliteitseisen en regelgeving, die het afleren systematisch bemoeilijken (Magnusson et al., 2021). Dit gaat dus verder dan individuele weerstand tegen verandering.

4. Permanente liminale fase vereist een ander denkkader
Publieke organisaties bevinden zich vaak in permanente liminale fase van transformatie, door de openheid van strategie, ambiguiteit van regels, en veelheid aan interdependenties over organisatiegrenzen heen (Gritt et al., 2024). “Stoppen” is daardoor geen discreet moment maar een langdurig proces van onderhandeling.

5. Collectief ontleren is daarom noodzakelijk
Het gaat niet alleen om “organizational unlearning” maar om “collective unlearning” waarbij politieke en bestuurlijke actoren gezamenlijk ingebakken aannames moeten bevragen. Het hele ecosysteem moet mee-transformeren.

6. … Voorbij het perspectief van een enkele organisatie
Waarde creatie in de publieke sector komt tot stand in multi-actor relaties (Scupola & Mergel, 2022), dus stoppen/afleren moet ook collectief gebeuren in dit ecosysteem. Waarbij Moore’s strategische driehoek expliciet maakt dat organisatieverandering altijd plaatsvindt binnen de “authorizing environment.”

Beantwoord

Interessante aanvullingen Gerard, dank. Een aantal ken ik (maar had ik nog niet op deze manier meegenomen), een aantal bronnen kende ik ook nog niet (en neem ik alsnog mee).

Update:
Overigens een terrecht punt dat in deze publicaties wordt gemaakt, zeker voor publieke organisaties geldt dat externe stakeholders (bijv. politiek) een belangrijke factor spelen bij de mogelijkheid om uberhaupt met bepaalde zaken te kunnen stoppen.

Beantwoord

Wat is voor jou het verschil tussen “organizational unlearning” en “collective unlearning”?

Vwb de literatuur, alleen Bryson et al., 2008 kan ik niet vinden, de rest heb ik inmiddels gevonden.

Beantwoord

Goede aanvullende reactie van Jaap van ’t Hek op bovenstaande:

“Mijn punt is simpel: we gebruiken het woord ‘afleren’ achteloos en gaan voorbij aan ons onvermogen om iets actief te kunnen afleren. Daarmee onderschatten we hoe moeilijk daadwerkelijk stoppen is. Het gaat me juist om het gebrek aan precisie door te denken dat stoppen ertoe leidt dat iets weg is. Vandaar dat je best kunt beginnen met stoppen, maar dat van afleren pas sprake is als het oude gedrag niet meer kan (bijvoorbeeld omdat het fysiek onmogelijk is, of bijvoorbeeld is verdwenen uit het collectief geheugen van de organisatie). En overigens is het nog maar de vraag of veranderen begint met stoppen… Dan vraag je mensen hun oude schoenen weg te gooien voordat ze weten of de schoenen die jij voor ze hebt gekocht wel passen….”

Beantwoord

Profielfoto
Emmelot op schreef:

Waardevol Marco, bedankt! Ik zal hier explicieter op gaan letten en inbouwen in de organisatieveranderingen waarmee wij bezig zijn.

Beantwoord

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Laatste blogs

Bekijk alle blogs (1315)
Contact