Vandaag verschijnt het coalitieakkoord. Hoewel er nog weinig inhoud is uitgelekt, ligt het in de lijn der verwachting dat daarin aandacht is voor een ‘kleinere overheid’. De afgelopen tijd is daar veel over nagedacht en geschreven. In het publieke debat gaat het daarbij vaak over de ervaren groei van het aantal ambtenaren, bureaucratie, risicomijdend gedrag en het beperkte vermogen van de overheid om grote maatschappelijke opgaven te realiseren.
In een opiniestuk waarschuwen Arre Zuurmond en FUTUR voor een te eenvoudige invulling van het begrip ‘kleinere overheid’. In het politieke en publieke debat wordt dit begrip vaak teruggebracht tot minder ambtenaren, minder regels en lagere kosten. Tegelijkertijd groeit juist de zorg over de uitvoerbaarheid van beleid en over de vraag of de overheid haar maatschappelijke opgaven nog effectief kan waarmaken.
Een korte samenvatting van het opiniestuk:
In gesprekken met onder meer straatartsen, boa’s, ggz-verpleegkundigen en sociaal rechercheurs nemen de auteurs het vakmanschap van uitvoerende professionals als vertrekpunt. Daarbij hanteren zij het begrip ‘schoonheid’ van Matthieu Weggeman als kwaliteitscriterium: het moment waarop een professional kan doen waarvoor hij of zij ooit voor het vak heeft gekozen en daarin betekenis en voldoening ervaart. Waar die schoonheid wordt ervaren, ontstaan betrokkenheid, verantwoordelijkheid en kwaliteit. Het gesprek over schoonheid blijkt bovendien een krachtig startpunt om gezamenlijk te onderzoeken wat professionals belemmert in hun werk.
In de praktijk ervaren veel professionals echter dat zij steeds minder toekomen aan hun kerntaak. Formulieren, protocollen, toezicht en overleg slokken een groot deel van hun tijd op. Zuurmond wijst erop dat in sommige sectoren meer dan 50 procent van de werktijd opgaat aan administratie en verantwoording. Dat is geen gevolg van onwil of luiheid van professionals, maar van een overheid die sterk verkokerd is georganiseerd. Maatschappelijke vraagstukken zijn samenhangend en horizontaal, terwijl de overheid verticaal is ingericht in departementen, staven en controlelagen.
Zuurmond spreekt in dit verband over de “FTE-verdubbelaar”. Nieuwe regels en risico’s leiden vrijwel automatisch tot extra staf-, toezicht- en verantwoordingsstructuren. Die vragen op hun beurt weer tijd en informatie van uitvoerende professionals. Zo groeit de overheid niet in daadkracht, maar in interne complexiteit, terwijl de ruimte voor vakmanschap verder afneemt.
Als voorbeeld noemen de auteurs de ambtshalve aanslagen bij de Belastingdienst. Jaarlijks krijgen ongeveer 75.000 burgers zo’n aanslag wanneer zij geen aangifte doen. Die schatting valt regelmatig te hoog uit. Een deel van deze mensen reageert niet uit onvermogen, bijvoorbeeld door taalproblemen, psychische klachten of het niet ontvangen van post. Toch wordt het uitblijven van een reactie in het systeem vaak geïnterpreteerd als onwil. De te hoge inkomensschatting komt vervolgens terecht in basisregistraties en wordt overgenomen door andere uitvoeringsorganisaties zoals UWV, Toeslagen en de SVB. Het gevolg kan zijn dat toeslagen wegvallen, schulden oplopen en herstelprocedures nodig zijn. Wat aan de voorkant als efficiënt beleid is bedoeld, leidt in de praktijk tot extra werk, extra kosten en maatschappelijke schade. Volgens de auteurs laat dit zien hoe silo’s en strikt wettisch handelen elkaar versterken, terwijl vroegsignalering en samenwerking met bijvoorbeeld wijkteams veel problemen hadden kunnen voorkomen.
De auteurs benadrukken dat dit probleem niet wordt opgelost door simpelweg minder ambtenaren aan te nemen. Zolang wetten, verantwoordelijkheden en werkwijzen niet veranderen, leidt bezuinigen vooral tot meer druk op de uitvoering en tot nieuwe controlelagen achteraf. Zij pleiten daarom voor een andere benadering: een kleinere overheid die ontstaat door anders te werken. Dat betekent een overheid die zich organiseert rond maatschappelijke opgaven, die in ecosystemen samenwerkt met andere overheden, professionals en maatschappelijke organisaties en die stuurt op publieke waarde in plaats van uitsluitend op meetbare productie en efficiency.
De belangrijkste conclusie is dat de vraag “hoeveel ambtenaren kunnen we schrappen?” de verkeerde is. De wezenlijke vraag is of de overheid durft te transformeren naar een vorm die proactief, lerend en samenwerkend is, en die professionals vertrouwt in plaats van hen te controleren. Alleen een overheid die op die manier haar taken effectief uitvoert, zal op termijn ook daadwerkelijk kleiner worden.
Begin dus niet met saneren, maar met een expliciete transformatievisie op de overheid. Herontwerp beleid en uitvoering rond maatschappelijke opgaven in plaats van rond organisatorische grenzen. Verminder controle- en verantwoordingslagen door professionele ruimte te vergroten en verantwoordelijkheid te delen in ketens en netwerken. En betrek uitvoerende professionals vroegtijdig bij beleid, zodat problemen aan de voorkant worden voorkomen in plaats van achteraf gerepareerd.
Zolang het debat over de overheid blijft draaien om aantallen, kosten en efficiency, blijven we proberen een verouderd systeem te optimaliseren. De toekomst vraagt om een overheid die slimmer georganiseerd is, menselijker werkt en beter verbonden is met de praktijk. Pas dan wordt ‘kleiner’ geen doel op zich, maar een logisch gevolg.
Zie voor het opiniestuk het LinkedIn-bericht van Arre Zuurmond.
1 reactie
Zie ook mijn LinkedIn-bericht:
https://www.linkedin.com/posts/mderksen_discussie-stuk-activity-7422894680440213504-ew5h