Koers zetten richting digitale autonomie

door Marco Derksen op 28 januari 2026

Digitale soevereiniteit staat in Nederland en Europa hoog op de agenda omdat digitale technologie niet meer alleen gaat over efficiëntie en gemak, maar ook over zeggenschap. Door geopolitieke spanningen, de groeiende afhankelijkheid van een klein aantal buitenlandse technologiebedrijven en de vraag onder welke rechtsmacht data en systemen vallen, wordt steeds zichtbaarder wat er mis kan gaan wanneer essentiële digitale diensten wegvallen of onder druk komen te staan. In dat licht verschuift het debat van “welke oplossing werkt het best?” naar fundamentelere vragen: wie kan er ingrijpen, wie bepaalt de spelregels en wat is het plan als een leverancier of een land zijn koers wijzigt?

Digitale soevereiniteit gaat daarbij niet over volledige digitale onafhankelijkheid. Het is het vermogen van overheid en samenleving om zelf keuzes te maken over het gebruik van digitale technologie, om ongewenste afhankelijkheden te begrenzen en om publieke waarden te borgen. Dat raakt drie samenhangende dimensies:

  • Juridisch gaat het om zeggenschap over data en systemen en de vraag welke wetgeving van toepassing is.
  • Technisch gaat het om operationele controle, zoals weten waar data staat, wie toegang heeft en of overstappen naar een andere leverancier realistisch is.
  • Bestuurlijk gaat het om democratische verantwoordelijkheid: kunnen uitleggen waarom bepaalde afhankelijkheden acceptabel zijn en hoe risico’s worden beheerst.

Soevereiniteit is daarmee geen absolute toestand, maar een gradueel vermogen: hoe groter de keuzevrijheid en handelingsruimte, hoe groter de zeggenschap.

Het dashboard van Bert Hubert laat goed zien waar Nederland nu staat. Dit overzicht brengt in kaart welke Nederlandse organisaties voor hun primaire taken sterk leunen op Amerikaanse cloud- en kantooromgevingen. Het betreft niet alleen ondersteunende processen, maar ook kernfuncties van gemeenten, uitvoeringsorganisaties zoals het UWV, veiligheidsregio’s, delen van de zorg en andere maatschappelijke voorzieningen. Het dashboard is nadrukkelijk geen formele risicobeoordeling, maar een scenarioanalyse die zichtbaar maakt welke maatschappelijke functies kwetsbaar zijn wanneer deze infrastructuur langdurig niet beschikbaar is, bijvoorbeeld door geopolitieke sancties, juridische conflicten of politieke druk.

Die afhankelijkheid is omvangrijk. Analyses van duizenden Nederlandse domeinen laten zien dat bijna 70 procent van de overheids-, zorg- en vitale digitale diensten gebruikmaakt van Amerikaanse clouddiensten. In het onderwijs zou ruim 80 procent van de instellingen bij uitval van Amerikaanse cloud- en samenwerkingsdiensten geen toegang meer hebben tot e-mail en documenten. Bij gemeenten geldt dat ongeveer 70 procent bij langdurige uitval niet meer onderling kan communiceren. Deze cijfers zijn gebaseerd op infrastructuur- en domeinanalyses en geven een indicatie van afhankelijkheid, geen volledige risicokwantificatie. De Algemene Rekenkamer constateerde daarnaast dat bij een groot deel van de cloudcontracten van de rijksoverheid geen volledige strategische risicoafweging is gemaakt en dat exitstrategieën en fallbackopties vaak beperkt zijn. Samen maken deze bevindingen duidelijk dat digitale afhankelijkheid direct raakt aan maatschappelijke continuïteit.

Om te begrijpen waarom deze afhankelijkheden zo hardnekkig zijn, biedt de Atlas van de Digitale Wereld van Haroon Sheikh een belangrijk analytisch kader. Sheikh laat zien dat digitale macht niet op één plek geconcentreerd is, maar zich verticaal uitstrekt over meerdere lagen, van grondstoffen en chipproductie tot netwerken, cloud, data, AI en toepassingen. Grote technologiebedrijven opereren vaak over meerdere van deze lagen tegelijk, waardoor verticale integratie ontstaat en lock-in wordt versterkt.

Het digitale stapelmodel uit de Digitale Open Strategische Autonomie (DOSA), zoals toegepast door onder meer Ton Zijlstra, sluit hier praktisch op aan. Dit model helpt organisaties per laag te analyseren of zij “ervan zijn”, of een laag cruciaal is voor hun missie, en of zij die laag zelf beheren of uitbesteden. Samen laten deze modellen zien dat het in de praktijk vaak gaat om geïntegreerde ecosystemen, wat verklaart waarom overstappen complex is en waarom afhankelijkheden vaak pas zichtbaar worden wanneer ze problematisch worden.

Dat het anders kan, blijkt uit recente ontwikkelingen in Europa. Frankrijk heeft expliciet besloten om de afhankelijkheid van Amerikaanse communicatietools binnen de overheid terug te dringen en ontwikkelt met Visio een eigen videoconferentievoorziening. Overheidsorganisaties stappen daar gefaseerd af van commerciële alternatieven zoals Microsoft Teams en Zoom, niet vanuit technisch idealisme maar vanuit bestuurlijke overwegingen rond controle, kosten en publieke waarden. In Duitsland heeft de deelstaat Sleeswijk-Holstein meer dan 40.000 werkplekken gemigreerd van Microsoft Exchange en Outlook naar open-sourcealternatieven. Deze overstap laat zien dat schaalbare migraties mogelijk zijn wanneer ze worden benaderd als een meerjarig organisatie- en verandertraject, en niet als een puur technisch project. Ook Denemarken laat zien dat bewuste keuzes effect hebben. Grote gemeenten zoals Kopenhagen en Aarhus verminderen hun afhankelijkheid van Microsoft en stappen over op open-source en Europese oplossingen, mede na sterk stijgende licentiekosten.

Naast software en cloud is ook de hardwarelaag relevant voor digitale soevereiniteit. Nederland heeft met ASML een unieke strategische positie in de wereldwijde chipindustrie. Rond ASML ontstaan bovendien spin-offs en onderzoeksinitiatieven zoals Euclyd die zich richten op energiezuinige en gespecialiseerde chips, onder meer voor AI-toepassingen. Deze positie biedt geen volledige autonomie, maar wel strategische onderhandelingsruimte en laat zien dat investeren in fundamentele technologie en industriële capaciteit een belangrijk onderdeel is van digitale soevereiniteit. Europa zal daarmee geen volledig autonome techmacht worden, maar kan wel zorgen dat het in kritieke lagen niet structureel afhankelijk blijft van keuzes elders.

De toekomstvisie voor overheid en organisaties richt zich in toenemende mate op open strategische autonomie. Dat betekent samenwerken en internationale technologie benutten waar dat logisch is, maar vitale functies extra beschermen waar publieke waarden, continuïteit en democratische zeggenschap op het spel staan. Dit vraagt om scherpere prioritering, andere eisen in inkoop en contractering en structurele investeringen in alternatieven, kennis en governance. Het gaat niet om een grote eenmalige migratie, maar om het stap voor stap opbouwen van een fundament waarin identiteit, sleutelbeheer, interoperabiliteit en dataportabiliteit op orde zijn, zodat keuzevrijheid daadwerkelijk bestaat.

Deze benadering sluit aan bij een recente sessie met José van Dijck over digitale publieke ruimte en digitale soevereiniteit. Van Dijck benaderde digitale soevereiniteit nadrukkelijk als een maatschappelijke en bestuurlijke ontwerpopgave. Digitale infrastructuur functioneert steeds vaker als publieke ruimte, terwijl die infrastructuur grotendeels privaat eigendom is. Zonder bewuste keuzes worden publieke waarden dan impliciet vormgegeven door commerciële platformlogica. Europa kan digitale infrastructuur bewust ontwerpen vanuit waarden als autonomie, transparantie en democratische controle, mits regulering en innovatie hand in hand gaan.

Digitale soevereiniteit is daarbij niet alleen een opdracht voor overheden. Ook organisaties en burgers kunnen hun handelingsruimte vergroten. Organisaties kunnen hun digitale omgeving analyseren langs een stapelmodel om zichtbaar te maken waar afhankelijkheden zitten en waar zij “ervan zijn”. Op basis daarvan kunnen zij gerichter eisen stellen aan leveranciers, bijvoorbeeld rond interoperabiliteit, dataportabiliteit, sleutelbeheer en realistische exitstrategieën. Het oefenen van uitvalscenario’s, het vermijden van monoculturen voor kritieke functies en het investeren in eigen kennis en vaardigheden vergroten de praktische autonomie. Burgers kunnen bewuster omgaan met platforms en diensten, kiezen voor Europese of open alternatieven waar dat kan en deelnemen aan collectieve initiatieven die afhankelijkheid verkleinen. Het gaat daarbij niet om alles of niets, maar om het stap voor stap vergroten van keuzevrijheid en regie.

Voor wie concreet aan de slag wil, bestaan inmiddels ook praktische hulpmiddelen. Websites zoals European Alternatives bieden overzicht en vergelijkingen van Europese en open-sourcealternatieven voor veelgebruikte digitale diensten. Het Actieplan Digitale Autonomie van PublicSpaces en ECP vertaalt de discussie naar concrete handelingslijnen voor overheid, organisaties en maatschappelijke partijen, met aandacht voor inkoop, samenwerking en het versterken van publieke digitale infrastructuur. Zulke initiatieven maken duidelijk dat meer digitale autonomie geen abstract ideaal is, maar een uitvoerbaar traject van bewuste keuzes, samenwerking en volhouden.

Digitale soevereiniteit vraagt daarmee om expliciete keuzes over welke digitale functies maatschappelijk kritiek zijn, welke afhankelijkheden daarbij acceptabel zijn en onder welke voorwaarden. Door systemen te segmenteren op maatschappelijke impact, soevereiniteit te verankeren in inkoop en toezicht en structureel te investeren in alternatieven en uitvoeringsvermogen, kan Nederland zijn digitale handelingsruimte vergroten. De kernreflectie is dat het debat aan kracht wint wanneer het minder gaat over abstracte dreiging en meer over concrete ontwerp- en governancevragen: wat moet altijd blijven werken, wie is daarvoor verantwoordelijk en hoe organiseren we dat zonder publieke waarden ongemerkt uit te besteden?

Bronnen:

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Laatste blogs

Bekijk alle blogs (1315)
Contact