Afgelopen week werd ik (opnieuw) door Matthijs Schouten gewezen op het werk van de Vlaamse filosoof Ulrich Libbrecht (1928–2017).
Libbrecht ontwikkelde met zijn Inleiding tot de comparatieve filosofie een nieuwe manier van kijken naar cultuur, religie en menselijk bewustzijn. Zijn werk ontstond uit de overtuiging dat de westerse rationaliteit — ooit bron van kennis en vooruitgang — haar grenzen heeft bereikt. Wetenschap en technologie hebben ons begrip van de wereld vergroot, maar zijn de samenhang tussen mens, natuur en zingeving kwijtgeraakt. Libbrecht vroeg zich in zijn werk af of een werkelijk mondiale manier van denken mogelijk is: een manier die oosterse en westerse wijsheid niet tegenover elkaar zet, maar met elkaar verbindt.
In zijn college voor de School voor Comparatieve Filosofie in Antwerpen uit 2007, dat in twee delen op YouTube te vinden is, legt hij uit dat elke beschaving haar eigen antwoord geeft op drie fundamentele dimensies van het bestaan: energie (de natuurlijke werkelijkheid), vorm of informatie (het rationele denken) en bewustzijn (de mystieke of ervaringsgerichte dimensie).
Het Westen legt de nadruk op verstand en beheersing van de natuur, China op harmonie en spontaniteit, en India op innerlijke bewustwording. Volgens Libbrecht zijn deze benaderingen geen tegenpolen, maar verschillende manieren om met hetzelfde mysterie van het bestaan om te gaan.
Zijn filosofie is comparatief omdat ze niet de leerstellingen van religies vergelijkt, maar de onderliggende structuren in hun manier van kennen en ervaren. Zo wil hij laten zien hoe culturen elk een ander facet van dezelfde werkelijkheid verhelderen, en hoe elk systeem een eigen manier van betekenisproductie ontwikkelt.
In het college gebruikt Libbrecht het beeld van de kikker in de put: de kikker ziet slechts een stukje hemel en denkt dat dat de hele wereld is. De comparatieve filosoof probeert een vogel te worden — hoger te kijken, zonder het nest te vergeten. Zoals hij, verwijzend naar de Chinese wijsgeer Zhuangzi, zegt: “Wie enkel zomers leeft, begrijpt niet de schoonheid van sneeuw en ijs. Wie enkel rationeel leeft, begrijpt het mysterie niet.” Daarmee pleit Libbrecht voor bescheidenheid in kennis: het inzicht dat elk wereldbeeld slechts een deel van de werkelijkheid laat zien.
Een belangrijk thema in zijn denken is het onderscheid tussen geloven en weten. Weten is rationeel: het analyseert, benoemt en ordent. Geloven komt van liefhebben — to believe als to be-love. Het is geen vorm van kennis, maar een andere manier van kennen: een betrokken zijn op het mysterie van het bestaan. Religie is voor Libbrecht geen verzameling waarheden, maar een vorm van relatie — een manier om afgestemd te raken op wat groter is dan wijzelf. In die zin ziet hij “God” niet als een wezen buiten de wereld, maar als de scheppende energie die alle vormen draagt.
In het tweede deel van zijn college ontwikkelt Libbrecht zijn model van energie, vorm en bewustzijn. Energie staat voor de dynamiek van het leven, vorm of informatie voor de structuur die betekenis mogelijk maakt, en bewustzijn voor het vermogen tot reflectie en ervaring. Samen beschrijven ze de werkelijkheid als een voortdurend proces van betekenisvorming. Culturen zijn volgens dit model verschillende manieren om die energie te ordenen via taal, symbolen en rituelen. Zo toont Libbrecht dat taal, kennis en zingeving niet losstaan van de natuur, maar voortkomen uit de wisselwerking tussen energie (leven en ervaring) en vorm (structuur en begrip), gedragen door bewustzijn.
Zijn mensbeeld sluit daar nauw bij aan. De mens bezit naast gebonden energie ook vrije energie — niet gebonden aan instinct zoals het dier, maar in staat om zijn aandacht te richten voorbij het eigen ego. Lichaam en geest zijn geen tegenstellingen, maar twee vormen van dezelfde levenskracht. Wie zich verzet tegen zijn natuurlijke ritme, vervreemdt van zichzelf; wie meebeweegt met het leven, vindt evenwicht.
Uiteindelijk doet Libbrecht, in de geest van Erasmus, een oproep tot wereldburgerschap: het vermogen om je eigen traditie te kennen én te overstijgen. Zijn comparatieve filosofie is geen nieuwe religie of ideologie, maar een poging tot een wetenschappelijk kader waarin verschillende wijsheidssystemen als complementair kunnen worden verstaan. Ze nodigt uit tot evenwicht tussen wetenschap, spiritualiteit en verbondenheid met de natuur — een houding die in onze tijd van technologische en ecologische ontwrichting opnieuw van grote betekenis is.