In de zomerreeks ‘Oude woorden, nieuwe wereld‘ (podcast) van het VPRO-radioprogramma OVT reflecteert historica en terrorisme-expert Beatrice de Graaf op het boek ‘In de schaduwen van morgen‘ (1935) van de Nederlandse historicus Johan Huizinga (1872-1945).
Aanleiding is de huidige maatschappelijke onrust, gekenmerkt door informatie-overvloed, polarisatie, het afnemende vertrouwen in instituties en een groeiende roep om duiding in tijden van crisis. De Graaf beschouwt Huizinga als een denker die, midden in de dreiging van het interbellum, op zoek ging naar de diepere oorzaken van het geestelijke verval van zijn tijd en daarmee opvallend veel zegt over de onze.
Huizinga opent zijn boek met de zin: “Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het.” Volgens De Graaf is dat geen retorische overdrijving, maar een trefzekere diagnose van een samenleving die op hol slaat in haar eigen rationaliteit. Niet oorlog of economische crisis vormen de kern van Huizinga’s analyse, maar het verlies van culturele vorm, ethische oriëntatie en spel als bron van beschaving. Die analyse is volgens De Graaf opnieuw actueel, in een tijd van sociale media, desinformatie en politieke verwarring. Niet het gebrek aan informatie is het probleem, maar juist de overvloed aan ruis: “Er wordt zo veel beuzelachtigheid over ons heen gespoten dat je niet meer kunt destilleren waar het om gaat.”
Huizinga’s kritiek raakt aan fundamentele waarden. Hij waarschuwt voor het reduceren van wetenschap tot economische output, het loskoppelen van kunst van betekenis en het uithollen van democratie tot een populistisch machtsspel. De mens verliest volgens hem het vermogen tot oordelen doordat hij zich laat meeslepen door spektakel en oppervlakkig vermaak wat hij aanduidde als “de algemene verzwakking van het oordeel en de daling van de kritische behoeften.”
In de schaduwen van morgen is, aldus De Graaf, een moreel appel. Huizinga richt zich op de geesteshouding van de mens. Hij pleit voor het hervinden van klassieke deugden als rechtvaardigheid, wijsheid en gematigdheid. Die houding noemt De Graaf een vorm van amor mundi (liefde voor de wereld) waarin de mens, ondanks verval en verwarring, blijft zoeken naar betekenis en verantwoordelijkheid.
Een tastbaar voorbeeld van Huizinga’s maatschappelijke moed is zijn weigering in 1933 om een Duitse delegatie met nazisympathieën welkom te heten aan de Universiteit Leiden. Daarmee stelde hij zich openlijk kritisch op tegen het opkomend nationaalsocialisme wat hem op de zwarte lijst van de nazi’s bracht. Hij bracht de laatste jaren van zijn leven door onder huisarrest in De Steeg, waar hij in 1945 overleed.
De Graaf wijst erop dat Huizinga’s stijl vaak als ouderwets werd gezien. Veel Nederlandse historici waaronder Jan Romein en Auke van der Woud verweten hem een gebrek aan wetenschappelijke onderbouwing en een te burgerlijke toon. Toch bleef hij, nationaal en internationaal, invloedrijk. Hij werd meerdere keren genomineerd voor de Nobelprijs voor Literatuur. Volgens De Graaf lag zijn kracht in het aanspreken van een diepere “moreel-epistemische grondtoon”: hij wist mensen aan te zetten tot reflectie op basis van een diepgevoeld fatsoen.
Huizinga bood uiteindelijk ook een voorzichtig medicijn. In plaats van cynisme of strijd pleitte hij voor een innerlijke zuivering wat hij katharsis noemde. De mens moest opnieuw leren leven in dienst van iets groters dan zichzelf. Zijn beroemde parafrase van Augustinus, “Wij zijn de tijden,” roept op tot persoonlijke verantwoordelijkheid, in plaats van passieve observatie.
Bronnen
- Huizinga, J. (1935). In de schaduwen van morgen: Een diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd. Haarlem: Tjeenk Willink.
- De Graaf, B. (2024, december 12). Wij zijn de tijden: Geschiedenis in crisistijd [Huizingalezing]. Universiteit Leiden.
- OVT (2025). Oude woorden, nieuwe wereld – aflevering met Beatrice de Graaf. VPRO.