Afgelopen weekend publiceerde de Volkskrant het artikel AI-foto’s wurmen zich tussen Google-resultaten, een onderzoek naar de groeiende aanwezigheid van AI-gegenereerde beelden in de zoekresultaten van Google. Het artikel opent met een incident waarbij niet het originele schilderij De tuin der lusten van Jheronimus Bosch bovenaan verscheen, maar een AI-gegenereerde versie: kleurrijker, voller, artificiëler. Dit bleek geen toeval. Uit onderzoek van AI-expert Maarten Sukel, in opdracht van de krant, blijkt dat AI-beelden zich steeds nadrukkelijker mengen met echte foto’s in de zoekresultaten. Vooral bij zoektermen als “beauty”, “babydieren” en “vakantiebestemmingen” is het aandeel synthetische beelden fors toegenomen.
Sukel analyseerde ruim 65.000 afbeeldingen die via Google Afbeeldingen werden gevonden. Van die beelden bleek ongeveer 1 procent ‘hoogstwaarschijnlijk nep’ en zo’n 15 procent viel in de categorie ‘misschien nep’. Opvallend was dat AI-beelden relatief vaker bovenaan de zoekresultaten verschijnen, wat suggereert dat het algoritme ze als aantrekkelijker of relevanter beschouwt. Dit heeft grote invloed op hoe mensen de wereld zien. Een zoekopdracht als “baby struisvogel” levert nauwelijks nog echte foto’s op, maar vooral perfect gestileerde AI-plaatjes met grote ogen en felle kleuren.
Deze ontwikkeling staat niet op zichzelf. Volgens een lopend onderzoek van Originality.ai, een platform dat synthetische tekst en beeld detecteert, is inmiddels al 19,1 procent van de topresultaten op Google gebaseerd op AI-content. In 2019 was dat nog 2,3 procent. Hoewel hun onderzoek zich vooral richt op tekstuele content, maakt het duidelijk dat de digitale informatieruimte in rap tempo verandert. AI-content wordt niet alleen gemakkelijker om te maken, maar scoort ook beter in systemen die optimaliseren op klikgedrag en visuele aantrekkelijkheid.
“I think we might reach 90% of online content generated by AI by 2025, so this technology is exponential…”
— Nina Schick
Tegen deze achtergrond circuleren steeds vaker uitspraken dat “tegen 2026 tot 90 procent van de online content synthetisch gegenereerd zal zijn.” Deze bewering wordt vaak aan Europol toegeschreven, maar dat is feitelijk onjuist. De oorsprong ligt bij AI-analist Nina Schick, die deze inschatting in 2022 deed op basis van de exponentiële groei van generatieve AI. Haar voorspelling werd vervolgens breed gedeeld in media en rapporten, soms zonder bronvermelding of met verkeerde toeschrijving aan officiële instanties. Europols eigen rapport over deepfakes waarschuwt weliswaar voor synthetische content, maar noemt geen percentages.
Overigens is ook Nina Chick niet de feitelijke bron van deze uitspraak. In haar boek Deepfakes: The Coming Infocalypse (2020) citeert ze Victor Riparbelli die voorspelt dat synthetische video binnen drie tot vijf jaar tot wel 90% van alle videocontent kan uitmaken.
De veranderende betekenis van beeld
Wat betekent dit voor de samenleving? Allereerst verandert het fundamenteel hoe we waarheid ervaren. Waar beelden ooit dienden als bewijsmateriaal of referentie, worden ze nu steeds vaker gegenereerd zonder bestaand origineel. Dat stelt niet alleen uitdagingen aan de controleerbaarheid van informatie, maar ook aan onze waarneming. Mensen reageren sterker op beelden die hun verwachtingen bevestigen of hun emoties prikkelen. AI is bij uitstek geschikt om precies dát soort beelden te produceren.
De grens tussen echt en nep vervaagt hierdoor niet alleen technisch, maar ook cultureel. Waarheidsvinding verschuift van verifiëren naar interpreteren. Een afbeelding wordt minder een representatie van de werkelijkheid en meer een product van wat aantrekkelijk, wenselijk of viraal is. De visuele informatieruimte wordt daarmee vormgegeven door algoritmes die niet weten wat waarheid is, maar wel weten wat werkt. Menno van Doorn, Sander Duivestein en Thijs Pepping schreven hierover in 2021 het boek Echt nep: Spelen met de realiteit in tijden van AI, deepfakes en de metaverse — een nog altijd relevant werk in dit kader.
Detectie en de paradox van vertrouwen
In de zoektocht naar wat nog echt of nep is, ontstaat een paradox: om AI-content te herkennen maken we steeds vaker gebruik van andere AI-systemen. Denk aan detectiemodellen die pixelpatronen analyseren of verborgen watermerken opsporen. Zie bijvoorbeeld de AI Image Detection-tool die Maarten Sukel beschikbaar stelde.
Dat betekent dat menselijke waarneming niet meer volstaat om werkelijkheid van fabricatie te onderscheiden. Vertrouwen wordt uitbesteed aan technologie. En technologie is, zoals bekend, niet neutraal.
Nieuwe mediawijsheid
De opkomst van synthetische beelden dwingt ons tot nieuwe vormen van mediawijsheid. Niet langer alleen gericht op het checken van feiten, maar ook op het herkennen van esthetiek, framing en ambiguïteit. We moeten leren omgaan met beelden die kloppen op gevoel, maar niet op feit. Met representaties die overtuigen zonder te verwijzen. En met informatiestromen waarin wat we zien steeds minder zegt over wat echt is, en steeds meer over wat resoneert.
De samenleving wordt daarmee geconfronteerd met een nieuw informatietijdperk. Eén waarin beeld niet langer vanzelfsprekend verwijst naar de wereld, maar steeds vaker naar een gegenereerde, geoptimaliseerde versie ervan. De vraag is niet meer alleen: is dit echt?, maar ook: wat doet dit beeld met mij — en met hoe wij samen de werkelijkheid vormen? Dat vraagt om herbezinning, niet alleen op technologie, maar ook op ons vermogen om collectief betekenis te geven aan wat we zien.
2 reacties
Krijg van Sander Duivestein door dat niet Nina Chick Nina de bron is van de uitspraak maar Victor Riparbelli, the CEO and Founder of Synthesia. In haar boek Deepfakes: The Coming Infocalypse (2020) citeert Nina Schick Victor Riparbelli die voorspelt dat synthetische video binnen drie tot vijf jaar tot wel 90% van alle videocontent kan uitmaken. Inmiddels in bovestaande tekst ook aangepast.
Zie ook:
https://reason.com/2023/01/27/that-time-we-tried-to-make-sense-of-a-statistic-in-a-new-york-times-story-on-deepfakes/
In een LinkedIn-bericht van Sander Duivestein vraagt hij zich af of een kind met een smartphone de wereld leert begrijpen, of vooral leert hoe een machine die uitlegt. AI is voor Generatie Alpha geen tool meer, maar waarheid. Ze leren denken via prompts, niet door vallen en opstaan (zoals de voorgaande generaties). Zo verdwijnt de ruimte tussen vraag en antwoord, precies die ruimte waarin menselijkheid ontstaat. Wat rest, is efficiëntie zonder empathie, kennis zonder wijsheid. Een (Turing) val, vermomd als vooruitgang. Scherpe observatie!