Mijn interesse in de Dao De Jing-interpretaties van Jaap Voigt bracht me afgelopen week bij een ouder boekje van zijn hand: Helen of Delen: Over de transformatie van mens en organisatie, dat hij in 1986 samen met Hans Korteweg schreef. De titel intrigeerde me, en al snel vond ik een exemplaar op Boekwinkeltjes.nl. Vandaag lag het op de mat.
Het boek verscheen in een periode van economische crisis, maatschappelijke onrust en hervormingsdrang binnen sectoren als politie, justitie en onderwijs. Voigt werkte destijds als trainer en organisatieadviseur, onder meer voor de politie.
In de inleiding schetsen de auteurs een mensbeeld waarin ieder individu opgroeit binnen sociale kringen als gezin, werk, geloof en vriendschap. Deze structuren bieden houvast, maar kunnen ook verstarren en persoonlijke ontwikkeling in de weg staan. Die vervreemding typeert volgens hen het begin van de jaren tachtig, met hoge werkloosheid, bezuinigingen en tanend vertrouwen in instituties. Tegelijkertijd ontstonden nieuwe vormen van zingeving en gemeenschap: leefgroepen, de kraakbeweging en persoonlijke ontwikkeling geïnspireerd door psychologie, spiritualiteit en oosterse filosofie. Ook binnen organisaties groeide de behoefte aan menselijkheid, samenwerking en betekenis. Het was een tijd van breuk én vernieuwing. Het was ook de tijd dat ik zelf studeerde en me veel van de maatschappelijke discussies nog wel kan herinneren.
Het boek onderzoekt hoe mensen hun creativiteit kunnen hervinden en via betekenisvolle relaties – ‘levende kringen’ – kunnen bijdragen aan verandering. Voigt en Korteweg onderscheiden vier niveaus waarop mensen functioneren: het functieniveau (maatschappelijke rol), het kringniveau (sociale omgeving), het persoonlijke niveau (individuele ontwikkeling) en het archetypische niveau (collectieve betekenislagen, verbeeld in symbolen en mythen). Door deze lagen met elkaar te verbinden ontstaat ruimte voor persoonlijke en maatschappelijke vernieuwing. Elk niveau vraagt om een eigen taal: waar de praktijk logica verlangt, vragen diepere lagen om symbolische en associatieve duiding. De auteurs pleiten voor een serieuze omgang met beide vormen van taal, en tonen hoe psychologie, kunst, filosofie en organisatiekunde elkaar kunnen vinden via gedeelde beelden en vragen.
Aan het eind van de inleiding reflecteren ze op hun samenwerking tijdens het schrijfproces. Hun conclusie: echte vernieuwing ontstaat in de persoonlijke dialoog tussen ‘ik en jij’, niet in het collectieve ‘wij’.
De centrale vraag van het boek is nog altijd actueel: kiezen we voor heling en vernieuwing, of houden we vast aan het oude – met het risico dat het uiteenvalt? Helen of Delen biedt geen technocratisch model van organisatieverandering, maar een mensgerichte benadering waarin relaties, betekenis en crisis centraal staan. Thema’s die ook vandaag – bijvoorbeeld bij de politie en in de publieke sector – opnieuw of nog steeds urgent zijn. Leiderschap, structuur en zingeving blijven sleutelvragen.
Ik ben dan ook benieuwd naar de rest van het boek, en vooral naar de bron van Voigts denken en zijn vroege visie op transformatie. Een samenvatting volgt ongetwijfeld binnenkort.